Aannemer 1 – 2020 – pag. 43

Metselwerk op vloeren en balken
Ten aanzien van toelaatbare vervormingen in het gevel-
metselwerk wordt in CUR-aanbeveling 71 in art. 7.3.2 nog het
volgende vermeld voor metselwerk op vloeren en balken:
“Omdat de stijfheid van het metselwerk dat op vloeren
en/of balken wordt geplaatst vaak groot is ten opzichte van
de stijfheid van de ondersteunende vloer of balk, leidt het
optreden van doorbuigingen in de vloer of balk tot het ont-
staan van trekspanningen in het metselwerk. Omdat deze
trekspanningen kunnen leiden tot scheuren, moet de door-
buiging van de ondersteunende constructie worden
beperkt. Als alternatief kan de stijfheid van het metselwerk
worden verkleind door het aanbrengen van extra verticale
dilatatievoegen.
Door de verschillende leveranciers worden de volgende
waarden gehanteerd als maximale doorbuiging, waarbij het
aanbrengen van extra dilatatievoegen ten opzichte van de
standaard aan te brengen bouwfysische dilatatievoegen
achterwege kan blijven:
– Baksteen: Ubijk ≤ 2mm (Ubijk is hierbij de bijkomende door-

buiging die optreedt na het metselen, waarbij wordt aan-
genomen dat de stenen voor het vervaardigen van de
wand reeks op de ondersteunende constructie zijn
geplaatst.

– Kalkzandsteen: geen specifi eke eisen
– Betonsteen: Ubijk ≤ 0,001 lrep (Ubijk is hierbij de volledige bij-

komende doorbuiging na het vervaardigen van de onder-
steunende constructie, dus inclusief de onmiddellijke
doorbuiging veroorzaakt door het gewicht van de stenen)”

Dit zijn eisen die gelden voor de horizontale ondersteuning
van elementen waar metselwerk op wordt geplaatst. Deze
eisen kunnen zodoende ook aangehouden worden voor
vloeren/daken waar metselwerk op geplaatst wordt of waar
geveldragers aan gehangen worden. De plaatsing van
geveldragers in de gevel is dus afhankelijk van meerdere
factoren en er is dus ook een direct verband met de detail-
lering, de verticale dilataties en de grootte van de horizon-
tale dilataties.

Verschil latei en geveldrager
In de dagelijkse praktijk bestaat er nogal eens onduidelijk-
heid over het verschil tussen lateien en geveldragers. In de
BRL 3121 ‘Nationale Beoordelingsrichting voor het KOMO
attest-met-productcertifi caat voor metalen lateien en meta-
len metselwerkondersteuningen in metselwerkconstructies’
wordt het verschil duidelijk verwoord: “Een metalen latei
bestaat uit een profi el dat als drager van niet-dragende
buiten en/of binnenspouwbladen wordt toegepast.
De belastingafdracht vindt plaats via de oplegging.
Een metalen metselwerkondersteuning is samengesteld uit
één of meer consoles met daaraan al dan niet bevestigd

een metalen profi el c.q. plaat. De console draagt de belas-
ting uit het metselwerk middels het verankeringssysteem
over op de daarvoor geëigende achterliggende draag-
constructie.”

In artikel 3.1.1 ‘doorbuiging’ worden eisen gesteld aan de
maximale doorbuiging: “Het product dient integraal te
worden beschouwd met de totale constructie. Bijkomende
doorbuiging van de hoofddraagconstructie van het
geveldrager systeem is de verantwoordelijkheid van de
hoofdconstructeur dan wel degene die de opdracht ver-

Aangrijpingspunt metalen metsel werkondersteuning
(schematisch weergave)

Uitvoeringsaspecten van geveldragers
• Bij de montage van geveldragers komt het vaak voor dat de ruwbouw

niet op de juiste maatvoering staat. Dit resulteert er vaak in dat er van de
betonnen vloerrand een stuk weg gehakt moet worden voor de montage
van de geveldrager. Dit gebeurt niet altijd even vakkundig en netjes,
waarbij het maar de vraag is of de geveldrager dan uiteindelijk goed
gemonteerd zit.

• Het tegenovergestelde gebeurt ook vaak, waarbij dan voor de montage
van de geveldragers vulplaten gebruikt moeten worden. Dit mag over het
algemeen niet meer gebeuren als er meer dan 10 tot 15 mm uitgevuld
moet worden. Deze maximale maat wordt in de praktijk nogal eens over-
schreden. Daarnaast worden vaak kunststof stelplaatjes of stelwiggen
gebruikt om uit te vullen en niet de stalen vulplaten. Het mag duidelijk
zijn dat dit soort aspecten regelmatig resulteren tot schade in het gevel-
metselwerk;

• Voor de montage van geveldragers is het noodzakelijk om een moment-
sleutel te gebruiken voor het aandraaien van de moeren. Afhankelijk van
het type bevestiging en de diameter van het draadeind wordt door de
producent van de geveldrager aangegeven wat het aandraaimoment van
de bevestiging is. Het komt helaas nogal eens voor dat de monteur van
de geveldrager geen gebruik maakt van een momentsleutel voor de mon-
tage van de geveldragers.

43nr. 1 – Februari 2020 Aannemer

40-Aannemer_1-2020_Vekemans.indd 43 03-02-20 15:31

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van de laatste ontwikkelingen in de bouw.