Aannemer 2 – 2020 – pag. 33

breukvlak. Bepleisterde geveldelen vertonen een soortgelijk
schadebeeld.
Absorptiemetingen wijzen uit dat het gevelmetselwerk sterk
zuigend is. Bij destructief onderzoek worden boorkernen uit
het metselwerk genomen. De gevel bestaat uit massief met-
selwerk met een totale dikte van meer dan 0,5 meter. Aan
de binnenzijde zit een circa 50 mm tellende laag waterafwij-
zend pleisterwerk, met daarop gipsgebonden stucwerk.
Het vochtgehalte van de boorkernen wordt bepaald aan de
hand van droogoventests. Wat blijkt? Het metselwerk bevat
sterk verhoogde vochtgehaltes. Direct achter de pleisterlaag
is de vochtgraad het hoogst, waarna deze naar buiten toe
afneemt. Alleen de onderzijde van de gevels hebben hier
last van; hogergelegen delen zijn droog, evenals het pleis-
ter- en stucwerk aan de binnenzijde.

Vocht
De schade is het gevolg van een kristallisatie van zouten
onder het oppervlak van de stenen en voegen. De kristallen
betreffen hoofdzakelijk sulfaten en in beperkte mate chlori-
den. Deze combinatie komt voor in grondwater, maar ook in
monumentale bakstenen en kalkmortel die deze zouten van
nature bevat.
De aanwezigheid van zouten alleen leidt echter niet tot
schade aan metselwerk. Schade kan enkel ontstaan wan-
neer er een vochtbelasting op het metselwerk bestaat. Is
sprake van een vochtstroom door het metselwerk, dan los-
sen de aanwezige zouten (en vrije kalk) op, waarna zij door
het vocht naar het oppervlak van de steen worden getrans-
porteerd. In het gebied waar verdamping van het vocht
plaatsvindt, kristalliseren de opgeloste zouten in de poriën
van de steen. Afhankelijk van de poriënstructuur van de
steen ligt dit verdampingsfront aan het oppervlak of meer
onder het oppervlak van het materiaal. Ook kan door het
bijvoorbeeld waterafstotend maken van de oppervlaktelaag
van de steen, het verdampingsfront meer naar binnen
komen te liggen.
Het uitkristalliseren van de zouten gaat gepaard met een
volumevergroting. Als deze kristallisatie in de poriën van het
metselwerk optreedt, ontstaat een kristallisatiedruk. Een
inwendige druk die kan leiden tot schade aan de steen: het
oppervlak poedert af, de steen schilfert of voegen worden
uit de gevel gedrukt.

‘Check te renoveren oude
gebouwen altijd op zoutbelast
metselwerk’

Op stenen en voegen is witte uitbloei zichtbaar.

De oorzaak van de
schade en de te
nemen maatregelen.

Zoutbelast metselwerk
Blijft metselwerk vochtig, dan blijven zouten in oplossing of
er moet een ‘overconcentratie’ ontstaan. Kristallisatie treedt
niet op, de zouten vormen geen witte afzettingen en er is
geen schade. Het is dus van groot belang om bij een reno-
vatie van oude gebouwen na te gaan of sprake is van zout-
belast metselwerk. Het ‘droogleggen’ van zo’n gebouw kan
immers leiden tot schade aan de steen, pleisterlagen en bij-
voorbeeld fresco’s.
De vochtpercentages van de boorkernen bevestigen het
drogen van buiten naar binnen. De aan de binnenzijde van
de gevel aangebrachte waterkerende mortel belemmert de
droging en voorkomt kristallisatie dicht aan het oppervlak.
De waterafwijzende pleister en injectie aan de binnenzijde
functioneren goed: er is binnen geen schade zichtbaar. Juist
het drogen van de gevel naar buiten toe is de boosdoener
met schade door zoutkristallisatie als resultaat.

Maatregelen
Om verdere schade te voorkomen, wordt gekozen voor een
horizontaal vochtscherm door injectie over de volle dikte
van de muur. Dit gecombineerd met een zoutbufferende en
waterkerende mortelplint, doorgezet tot op de fundering.
Daarnaast wordt infiltratie van hemelwater in de bodem
verbeterd door de grindkoffers langs de gevel te verdiepen.
Als laatste is het aangetaste metselwerk boven het niveau
van de mortelplint hersteld door het inboeten van restaura-
tiestenen en op kleur gebracht door middel van patineren.

33nr. 2 – Maart 2020 Aannemer

32-33_bouwschade.indd 33 13-03-20 14:02

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van de laatste ontwikkelingen in de bouw.