Aannemer 8 – 2020 – pag. 36

– Deel 1: Baksteen’ niet vereist om de initiële wateropzuiging te
declareren. Indien de bakstenen gecertificeerd zijn op basis
van de BRL 1007 (Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO-pro-
ductcertificaat voor metselbaksteen), is het wel verplicht om
de initiële wateropzuiging van de bakstenen te specificeren.
Deze initiële wateropzuiging wordt altijd bepaald op het leg-
vlak van de baksteen en dient o.a. voor het bepalen van de
juiste mortel voor deze bakstenen. Bakstenen worden enkel
voorzien van een hydrofobeerlaag op de zichtzijden en niet
op de legvlakken van de baksteen. Natuurlijk is door de
diepte van indringing van het hydrofobeermiddel in de
zichtvlakken, de hydrofobeerlaag ook over een deel van het
legvlak van de bakstenen aanwezig. Er ontstaat een percen-
tage wat wel en een percentage baksteen wat niet voorzien
is van een hydrofobeerlaag op de legvlakken.
Het belang van het goed hydrofoberen met de juiste
indringdiepte is dat metselmortels ontwikkeld en samenge-
steld worden op basis van een egaal zuigend oppervlak.
Door de verschillende zuigende eigenschappen van de bak-
steen in hetzelfde legvlak, wordt het bepalen van de juiste
mortel heel lastig.
In de NEN-EN 772-11 ‘Beproevingsmethoden voor metselste-
nen – Deel 11: Bepaling van de capillaire waterabsorptie van
betonsteen’ ligt vast hoe deze waarde bepaald moet wor-
den. Maar zowel in de NEN-EN 772-11 als in de NEN-EN 771-1
ligt niets vast over gehydrofobeerde bakstenen. In de prak-
tijk resulteert dit in het testen van een gehydrofobeerde
baksteen met geen egaal zuigend legvlak of wordt het
hydrofobeermiddel voor beproeven uit de bakstenen

baksteen is aangebracht. Nu is dit geen verplichting of
onderdeel van de DoP, maar voor de afnemer zou er een
manier moeten zijn die dit duidelijk maakt. Tevens zou vast
moeten liggen op welke vlakken deze hydrofobeerlaag is
aangebracht en hoe ver deze in de baksteen is getrokken.
Enkele producenten hebben overigens wel documentatie
uitgebracht voor de gehydrofobeerde bakstenen, waar de
wijze van hydrofoberen in vermeld staat.

Indringdiepte
De hydrofobeerlaag in bakstenen is niet zichtbaar wanneer
stenen luchtdroog aangeleverd worden op de bouw. Om
bakstenen met een hydrofobeerlaag te kunnen herkennen
is er een makkelijke controle: pak steekproefsgewijs enkele
winddroge bakstenen uit geleverde pallets. Wanneer hierop
met een plantenspuit water geneveld wordt, is duidelijk
zichtbaar waar het water wel en niet in de baksteen trekt.
Dit zou voor alle bakstenen ongeveer gelijk moeten zijn en
in overeenstemming met de specificaties die vanuit de pro-
ducent opgesteld zijn voor deze bakstenen. Over het alge-
meen specificeren baksteenfabrikanten dat het hydrofo-
beermiddel 5 à 10 mm diep in de zichtzijden van de
baksteen trekt, waardoor op de legvlakken enkel deze 5 à 10
mm dikke randen gehydrofobeerd zijn. Het wordt echter niet
altijd gespecificeerd en dan moet het vastgesteld worden.

Initiële wateropzuiging
Op de prestatieverklaring van de geleverde bakstenen is het
op basis van de NEN-EN 771-1 ‘Specificaties voor metselstenen

De indringdiepte van
de hydrofobeerlaag
is hier op de foto
goed zichtbaar en
niet overal gelijk.
Voor het optimaal
verwerken van
gehydrofobeerde
bakstenen is een
meer gelijkmatige
indringdiepte van
5 à 10 mm gewenst,
zoals te zien op
onderstaande
illustratie.

36 Aannemer nr. 8 – December 2020

Gebouwschil

34-35-36-37-38-39_vekemans.indd 36 07-12-20 08:50

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van de laatste ontwikkelingen in de bouw.