Bouwen in binnensteden loopt ook in Nederland tegen grenzen aan. Bouwterrein en publiek gebied komen gevaarlijk dicht bij elkaar. Met de nieuwe Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid willen overheid en bouwpartijen de bouwveiligheid en leefbaarheid in de stad bevorderen. Dat gaat alleen lukken als alle betrokken partijen kunnen geven en nemen.
Partijen in de bouwketen slagen er nog niet in om bij binnenstedelijke bouwactiviteiten de omgevingsveiligheid op een verantwoorde manier te regelen. Het gaat te vaak nog maar net goed. Soms gaat het gruwelijk mis, zoals in Den Haag waar in 2016 bij de verbouwing van het oude VROM-gebouw een voorbijgangster dodelijk werd getroffen door een steigerdeel dat tijdens het hijsen naar beneden kwam.
Ongevallenonderzoek van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) en van veiligheidsinstituut Aboma wijst uit dat bij bouw- en sloopprojecten de zorg voor de omgevingsveiligheid het vaak moet afleggen tegen eigen belang van bouwpartijen. In 2016 gaf de Minister van BZK opdracht aan de Verenging Bouw- en Woningtoezicht Nederland (VBWTN) om een landelijke richtlijn te ontwikkelen waarmee gemeenten kunnen afwegen of de bouwpartijen kunnen voldoen aan vastgestelde eisen voor de bouwveiligheid en omgevingsveiligheid van een bouwproject. Dit resulteerde in de ontwikkeling van de nieuwe Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid die dit voorjaar werd gepubliceerd.
Bouwveiligheidsplan
Centraal in de nieuwe richtlijn staat het bouwveiligheidsplan (BVP). Feitelijk een nadere uitwerking van wat al in het Bouwbesluit 2012 staat over het voorkomen van een voor de omgeving onveilige situatie of van hinder die nadelig is voor de gezondheid of bruikbaarheid. Nieuw is, dat het bevoegd gezag (i.c. de gemeente, red.) bij behandeling van een aanvraag voor de omgevingsvergunning voortaan meeweegt of het verplichte BVP voldoet aan de nieuwe richtlijn. Een BVP wordt onder andere beoordeeld op een juiste inrichting van het bouwterrein, de bouw- en sloopveiligheidszones (BVZ, niet toegankelijk voor derden of publiek), hijszone (gebied waarboven lasten gehesen mogen worden) en hijsgebied (hijszone + aanvullende BVZ).
De nieuwe richtlijn wordt nu bij sommige projecten al gehanteerd door de gemeenten Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Deze Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid krijgt ook een landelijke wettelijke aansturing. “Uiterlijk per 1 januari 2020 wordt hoofdstuk 6.2 van deze richtlijn (over veiligheidsafstanden en maatregelen, red.) door het Bouwbesluit aangestuurd en zijn onder andere de BVZ en het treffen van maatregelen wettelijk verplicht”, aldus het Ministerie van BZK.
Grote impact
Dat er nog heel wat haken en ogen zitten aan nieuwe regels voor omgevingsveiligheid bij binnenstedelijk bouwen, werd duidelijk in een recent gesprek met Theo van Kampen. Als veiligheidskundige van Aboma is hij lid van de projectgroep die de nieuwe Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid heeft samengesteld. Voor Aannemer ging Van Kampen in op enkele vragen.
Aannemers gaan zich dikwijls pas na de gunning van een werk bezighouden met maatregelen voor bouwveiligheid. Wat vindt u daarvan?
“Aannemers hebben vaak weinig tijd om een goede prijs te bepalen. Het kan zuur zijn als eisen pas later bekend worden. Daarom is het verstandig, vooral ook bij binnenstedelijk bouwen, om vooraf goed op de hoogte te zijn van de eisen, ook wat omgevingsveiligheid betreft. De aannemer die pas na de gunning wordt geconfronteerd met kosten voor de omgevingsveiligheid, heeft een probleem.”
Kosten voor omgevingsveiligheid kunnen hoog oplopen en de verantwoordelijkheid van aannemers weegt al zwaar. Wat betekent dat voor het bouwveiligheidsniveau van binnenstedelijke projecten?
“Steeds meer aannemers realiseren zich in welke omgeving ze bezig zijn en welke risico’s dat met zich meebrengt. Het is belangrijk om bij het begin van een project vast te stellen welke partijen op en rondom de bouwlocatie bezig zijn en wat ze daar doen. Het kan nodig zijn dat ruimte beschikbaar blijft voor expeditie, voor vluchtwegen en voor de brandweer. Het kan ook nodig zijn dat een geluids- en trillingsarm funderingsysteem wordt toegepast.”
Welk positief effect kan de nieuwe richtlijn voor bouw- en sloopveiligheid hebben?
“Aannemers worden vaak geconfronteerd met een ontwerp dat moeilijk veilig uitvoerbaar is. Het kan daarom verstandig zijn om een veiliger alternatief aan te bieden. Een aannemer kan de duidelijke constatering doen: Hé, wacht eens, die kraan die daar in het bouwveiligheidsplan staat, die kan daar helemaal niet staan. Het zou mooi zijn als hij vervolgens kan zeggen: We gaan nu dat alternatieve bouwsysteem toepassen, dat beter rekening houdt met de omgevingsveiligheid.”
Hoe zou de bouw veranderen als de regels van de nieuwe richtlijn sectorbreed zouden worden nageleefd?
“We moeten eerst aan betrokken partijen uitleggen wat die bouwveiligheidszone inhoudt. Er is namelijk een stille revolutie gaande: bij elk bouwproject is al een losplaats en een hijsgebied nodig. Dat is nu verplicht. Dat heeft een grote impact op bouwprojecten. Met de nieuwe richtlijn in de hand, kan een aannemer nu tegen de gemeente zeggen: ‘Ik heb hier een hijsgebied nodig van twintig meter breed. Want kijk maar hoe hoog ik ga hijsen. Zet daarom die weg maar af of geef me een alternatief.’ Aan een dergelijke benadering zullen ook gemeenten, wegbeheerders, vervoerders en anderen nog moeten wennen.”
Wat kunt u zeggen over het toepassen van een BLVC-plan in het kader van de nieuwe richtlijn?
“Een BLVC-plan is een geheel ander plan dan een bouwveiligheidsplan. Het BLVC-plan in dit verband, gaat over Bereikbaarheid (o.a. voor voetgangers, fietsers, bouwverkeer, hulpdiensten etc.), Leefbaarheid , Veiligheid en Communicatie. Vooral bij binnenstedelijk bouwen is het hoofdstuk ‘Bereikbaarheid’ zeer belangrijk, omdat dat gaat over hoe de wegbeheerder (de gemeente of een andere bevoegde instantie) controle kan houden over tijdelijke verkeersmaatregelen. De wegbeheerders van de vier grootste Nederlandse gemeenten hadden al richtlijnen bedacht voor hoe verkeersmaatregelen kunnen worden toegepast bij bouw- en sloopprojecten langs autowegen en binnenwegen. Een aannemer kan bijvoorbeeld niet zomaar een losplaats maken op een plek waar geen verkeerskruising is. Daar moeten verkeersmaatregelen voor komen. En dat is de zaak van de gemeente, die dan onder andere het BLVC-plan hanteert bij het verlenen van de omgevingsvergunning.”
Tekst loopt door onder foto’s
Richtlijn en praktijk
Veiligheidsdeskundigen van drie bouwbedrijven geven op verzoek hun antwoord op de vraag naar de eerste ervaringen met de Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid en wat daardoor wellicht gaat veranderen.
Arjan van Hamburg, KAM-manager bij J.P. van Eesteren, spreekt van een ‘behoorlijke uitdaging’ bij het creëren van bouwveiligheidszones en de logistieke planning bij een opdracht in hartje Den Haag. De gemeente Den Haag hanteert al de kersverse Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid. Van Hamburg: “We gaan aan de slag in een heel druk winkelgebied. Om bouwveiligheidszones te creëren en om ruimte te maken voor logistieke bewegingen zullen er aanvullende maatregelen moeten worden genomen. Daarbij is het onwenselijk dat het publiek en de winkeliers in hun vrijheid zouden worden beperkt. Als je een deel van een winkelgebied zou willen afsluiten, heb je meteen een flinke discussie met de betrokken partijen.”
Vast onderdeel managementsysteem
Op een klein bouwperceel bij een druk punt in Amsterdam is Dura Vermeer bezig met de bouw van een nieuw kantoor van twintig verdiepingen. Voor dat project is – volgens de nieuwe Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid – een bouwveiligheidsplan (BVP) opgesteld. Dat BVP-plan was ook onderdeel van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Bij Dura Vermeer Divisie Bouw en Vastgoed is de nieuwe richtlijn nu al een vast onderdeel van het managementsysteem. Voor Ronald de Groot, KAM-manager en veiligheidskundige bij divisie B&V, is het nieuw dat er nu, in de voorfase van een project, sprake is van structureel overleg tussen alle betrokken bouwpartijen over de vraag ‘Hoe gaan we de veiligheidsrisico’s koppelen aan de juiste maatregelen?’ De Groot zou overigens graag zien dat de rolverdeling tussen aannemer en opdrachtgever zou veranderen. “Zou er bij de opdrachtgever niet méér verantwoordelijkheid moeten liggen vanwege de impact die ‘zijn’ ontwerp zal hebben op bouwveiligheid, met name op de omgevingsveiligheid?”
Veranderingen in de bouwtechniek
Bij BAM wordt de invoering van de nieuwe richtlijn toegejuicht. Jeroen Kingma, directeur HSE (Gezondheid, Veiligheid en Omgeving, red.) van BAM Bouw & Vastgoed ziet nu een ‘evenwichtiger speelveld in de aanbesteding’ ontstaan tussen opdrachtgever en opdrachtnemer en tussen de verschillende aanbiedende partijen. Hij beschouwt de richtlijn ook als een nieuw instrument om ‘ongewenste concurrentierond veiligheid te vermijden’.
De nieuwe richtlijn past BAM Bouw & Vastgoed nu toe bij enkele lopende projecten en bij alle nieuwe projecten in de stad. Kingma voorziet veranderingen in de bouwtechniek. “Zonder wijzingen in werkwijze zijn straks ruimere bouwplaatsen noodzakelijk die de doorgang van verkeer zullen belemmeren. Dit kan betekenen dat er andereruimtelijke (stedenbouwkundige) invullingen gemaakt gaan worden en een ander type gebouwen,minder hoog…”
Hij verwacht oplossingen door toepassing van bouwmethodieken met minder hijsrisico’s, bijvoorbeeld door losse materialen te transporteren in containers en meer liften te gebruiken in of aan een gebouw. “In alle gevallen zal het vooraf nadenken over hoe we veilig kunnen bouwen, terwijl de toegankelijkheid van het gebied in enige vorm gewaarborgd blijft, veel belangrijker worden. Dus wordt binnenstedelijk bouwen zeker veiliger voor de mensen rond de bouw en de mensen op de bouw.”


