Herstelrecht van de aannemer: opdrachtgever mag niet te snel een derde inschakelen

Herstelrecht van de aannemer
(Foto: Shutterstock)

In de bouwpraktijk komt het regelmatig voor: een werk is opgeleverd, maar daarna blijken gebreken aanwezig te zijn. Het vertrouwen tussen opdrachtgever en aannemer komt dan vaak direct onder druk te staan. Opdrachtgevers willen in zo’n situatie geregeld snel een andere aannemer inschakelen om de problemen op te lossen. Juridisch kan dat niet zomaar.

De aannemer heeft in beginsel het recht om gebreken, waarvoor hij aansprakelijk is, zelf te herstellen. Dat herstelrecht leidt in de praktijk regelmatig tot discussies. Niet alleen over de vraag óf de aannemer nog mag herstellen, maar ook over de wijze waarop dat herstel moet plaatsvinden.

Wettelijk uitgangspunt: eerst gelegenheid tot herstel

Artikel 7:759 lid 1 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de opdrachtgever de aannemer in beginsel de gelegenheid moet geven om gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen. Dat uitgangspunt past binnen het algemene verbintenissenrecht: degene die tekortschiet, moet eerst de kans krijgen de tekortkoming alsnog te verhelpen.

Voor aannemers is dat van groot belang. Herstel in eigen beheer is doorgaans aanzienlijk goedkoper dan herstel door een derde. Bovendien voorkomt tijdig herstel vaak verdere escalatie van het geschil.

Een eerste mislukte herstelpoging betekent overigens niet automatisch dat het herstelrecht vervalt. Of een aannemer opnieuw gelegenheid tot herstel moet krijgen, hangt af van alle omstandigheden van het geval, zoals:

  • de ernst van de gebreken;
  • de kwaliteit van eerdere herstelpogingen;
  • de mate van overlast voor de opdrachtgever;
  • de duur van het hersteltraject;
  • het vertrouwen dat partijen nog in elkaar mogen hebben.

Voor opdrachtgevers schuilt hier een belangrijk risico. Wie te snel een derde inschakelt zonder de oorspronkelijke aannemer een reële herstelmogelijkheid te bieden, loopt het risico dat de herstelkosten uiteindelijk niet op die aannemer kunnen worden verhaald.

De aannemer bepaalt in beginsel de wijze van herstel

In de praktijk ontstaat vaak discussie over de manier waarop het herstel moet worden uitgevoerd. Opdrachtgevers hebben geregeld een duidelijke voorkeur voor een bepaalde technische oplossing, terwijl aannemers vasthouden aan hun eigen herstelmethode.

Het juridische uitgangspunt is dat de aannemer in beginsel zelf mag bepalen hoe hij herstelt. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Het herstel moet leiden tot goed en deugdelijk werk en voldoen aan de aannemingsovereenkomst. Is een specifieke uitvoering overeengekomen, dan kan de aannemer daar niet zonder meer van afwijken.

Een opdrachtgever hoeft daarom niet akkoord te gaan met een herstelmethode die technisch onvoldoende is of afwijkt van hetgeen contractueel is overeengekomen. Andersom kan een opdrachtgever evenmin zonder meer afdwingen dat uitsluitend zijn eigen voorkeursoplossing wordt uitgevoerd.

Wanneer hoeft geen herstelmogelijkheid meer te worden geboden?

Het herstelrecht van de aannemer is niet absoluut. Er zijn situaties waarin van een opdrachtgever redelijkerwijs niet meer kan worden verlangd dat hij de aannemer nog toegang geeft tot het werk. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer:

  • de aannemer aantoonbaar onbekwaam blijkt te zijn;
  • de aannemer het herstel niet binnen een redelijke termijn kan uitvoeren;
  • herstel leidt tot onevenredige overlast of schade;
  • er sprake is van een verstoorde verhouding.

Dat een werk gebreken vertoont, betekent op zichzelf nog niet dat een aannemer onbekwaam is. Ook een mislukte eerste herstelpoging is daarvoor onvoldoende. Heeft een opdrachtgever twijfels over de deskundigheid van de aannemer, dan is het verstandig die twijfels door een onafhankelijke deskundige te laten beoordelen. De opdrachtgever zal namelijk moeten aantonen dat de aannemer onbekwaam is.

Belang van een duidelijke hersteltermijn

Voor opdrachtgevers is het belangrijk de aannemer schriftelijk een redelijke termijn voor herstel te geven. Daarbij is het verstandig direct te vragen of de aannemer bevestigt dat hij de gebreken binnen die termijn zal herstellen.

Dat voorkomt onduidelijkheid. Geeft de aannemer aan niet tijdig te kunnen herstellen of herstel geheel te weigeren, dan hoeft de opdrachtgever doorgaans niet af te wachten tot de volledige termijn is verstreken voordat hij verdere maatregelen neemt.

Pas wanneer de aannemer, ondanks een redelijke herstelmogelijkheid, tekort blijft schieten, ontstaat ruimte voor vervangende schadevergoeding of herstel door een derde.

Een verstoorde verhouding: niet snel aangenomen

Dat partijen slecht communiceren, betekent nog niet dat sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk dat herstel door de aannemer niet meer kan worden verlangd. Slechte communicatie alleen is daarvoor meestal onvoldoende.

Er moet sprake zijn van ernstige en structurele problemen waardoor verdere samenwerking redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Een sprekend voorbeeld volgt uit een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch uit 2012. In die zaak ontstond tijdens werkzaamheden in het pand van de opdrachtgever een bedreigende situatie waarbij een stanleymes werd getoond. Het hof oordeelde dat onder die omstandigheden niet langer van de opdrachtgever kon worden verlangd dat hij de aannemer nog gelegenheid gaf tot herstel.

Wie stelt dat herstel door de aannemer niet meer kan worden gevergd, zal dat goed moeten onderbouwen. Bijvoorbeeld met deskundigenrapporten, eerdere ondeugdelijke herstelpogingen of concrete aanwijzingen voor ernstige communicatieproblemen.

Rechtbank Midden-Nederland: herstelrecht onvoldoende gerespecteerd

Een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland uit 2019 laat zien dat opdrachtgevers voorzichtig moeten omgaan met het passeren van het herstelrecht.

In die zaak had een aannemer een kelder gerealiseerd die jarenlang lekkageproblemen kende. De oorzaak van de lekkages was echter niet duidelijk. De aannemer wilde nader onderzoek uitvoeren en stelde een stapsgewijze aanpak voor. De opdrachtgever wees dat af en stond uitsluitend herstel toe volgens zijn eigen, veel ingrijpendere methode.

De rechtbank benadrukte dat het in beginsel aan de aannemer is om te bepalen hoe herstel plaatsvindt, tenzij vooraf duidelijk is dat de voorgestelde methode ondeugdelijk is. Omdat de opdrachtgever de aannemer geen reële mogelijkheid had gegeven om onderzoek te doen en tot herstel over te gaan, oordeelde de rechtbank dat het herstelrecht onvoldoende was gerespecteerd. De herstelkosten van ruim € 42.000 kwamen daardoor voor rekening van de opdrachtgever.

Rechtbank Den Haag: herstelvoorstel mocht worden geweigerd

Dat het herstelrecht grenzen kent, blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag uit 2025. In die zaak had een aannemer een dakkapel geplaatst die diverse gebreken vertoonde. De opdrachtgevers schakelden deskundigen in en kregen vervolgens discussie met de aannemer over de wijze van herstel. Uiteindelijk werd de overeenkomst ontbonden en liet de opdrachtgever de dakkapel volledig vervangen door een derde.

De aannemer stelde dat zijn herstelvoorstel ten onrechte was afgewezen. De rechtbank volgde hem daarin niet. Volgens de rechtbank geldt weliswaar als uitgangspunt dat de aannemer zelf mag bepalen hoe hij herstelt, maar niet wanneer vooraf duidelijk is dat de voorgestelde herstelmethode ondeugdelijk is of afwijkt van hetgeen partijen zijn overeengekomen.

Daar kwam nog bij dat de aannemer het herstel afhankelijk wilde maken van betaling voor meerwerk. Dat accepteerde de rechtbank niet. Een aannemer die aansprakelijk is voor gebrekkig werk kan herstel niet afhankelijk maken van aanvullende commerciële voorwaarden.

Onder die omstandigheden mochten de opdrachtgevers het herstelvoorstel weigeren en het herstel door een derde laten uitvoeren op kosten van de aannemer.

Financiële gevolgen kunnen fors zijn

De financiële gevolgen voor de aannemer in deze zaak waren aanzienlijk. Voor de oorspronkelijke werkzaamheden had hij ongeveer € 22.000 ontvangen. Uiteindelijk werd hij veroordeeld tot betaling van ruim € 27.800 aan herstelkosten, vermeerderd met ongeveer € 12.500 aan expertisekosten, naast buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Per saldo liep de schade voor de aannemer op tot bijna € 46.000.

Praktische lessen voor de bouwpraktijk

De rechtspraak laat zien dat zowel opdrachtgevers als aannemers zorgvuldig moeten omgaan met herstelkwesties.

Voor opdrachtgevers geldt onder meer:

  • schakel niet te snel een derde in;
  • bied de aannemer schriftelijk een duidelijke herstelmogelijkheid;
  • stel een redelijke hersteltermijn;
  • vraag de aannemer te bevestigen dat hij binnen de hersteltermijn zal herstellen;
  • leg gebreken zorgvuldig vast, bij voorkeur met deskundigenrapporten;
  • laat beoordelen of het door de aannemer voorgestelde herstel technisch deugdelijk is.

Voor aannemers geldt:

  • maak duidelijk dat je bereid bent eventuele gebreken te herstellen;
  • laat bij discussie onderzoek doen naar de oorzaak van de gebreken;
  • kom met een technisch goed onderbouwd herstelvoorstel;
  • maak herstel(voorstellen) niet afhankelijk van aanvullende financiële voorwaarden.

Een ondeugdelijk of onduidelijk herstelvoorstel kan ertoe leiden dat de opdrachtgever het herstelrecht mag passeren — met mogelijk zeer forse financiële gevolgen.


Maikel Exterkate, bouwrechtadvocaat

Maikel Exterkate is bouwrechtadvocaat voor het mkb en oprichter van Exterkate Advocatuur. Met bijna 20 jaar ervaring adviseert en procedeert hij voor aannemers en onderaannemers. Volgens Maikel draait een juridische kwestie om meer dan alleen argumenten. Zeker in de bouwwereld gaat het er ook om oog te hebben voor wat er écht speelt. Met zijn betrokken en oplossingsgerichte aanpak biedt hij niet alleen juridische bijstand, maar ook rust en duidelijkheid.

Bekijk alle berichten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.