Zeven op de tien woningen voldoen niet bij de eerste luchtdichtheidsmeting – en dat kost aannemers tijd en geld. Daarvoor waarschuwt Woningborg Toetsing en Toezicht. “Een klein beetje meer aandacht aan de voorkant voorkomt hoge herstelkosten.”
Een spiegel voor de aannemerij is het zeker, beaamt directeur Sietze Rozema. Zijn organisatie is kwaliteitsborger voor de bouwwerken die met het instrument van Woningborg (WKI) worden beoordeeld op het voldoen aan de bouwregels.
En van de cijfers – dat anno 2025 zeven op de tien de eis voor luchtdichtheid niet halen – is zijn organisatie naar eigen zeggen “best een beetje geschrokken”. Bron van deze cijfers zijn de eigen metingen die WTT de afgelopen jaren doet in zowel grondgebonden woningen (die sinds 1 januari 2024 Wkb-plichtig zijn) als appartementen. Dat gaat volgens Rozema over honderden metingen, zo niet een veelvoud daarvan.
Hieronder vallen ook proefprojecten die vóór ingang van de Wkb zijn gedaan, appartementengebouwen en transformatieprojecten. “Grondgebonden woningen zien we de laatste tijd meer en meer voorbijkomen omdat deze worden getoetst nu de Wkb is ingegaan.”
‘Die extra stap aan de voorkant is peanuts om in één keer tot resultaat te komen’
Eindmeting
Het zure is: vaak zijn dit al finale luchtdichtheidsmetingen, tegen de oplevering aan. “Dat betekent overigens niet dat het ook de laatste meting is, want als je niet voldoet moet je nog een keer meten”, zegt Rozema. “Dat is vaak het moment waarop we met aannemers in gesprek gaan over hoe dit te voorkomen is. Want als je op dat moment je luchtdichting nog goed wilt krijgen, praat je over lapmiddelen. De ideale oplossing kun je dan vaak niet meer toepassen.”
Als positief aspect ziet Rozema dat er bij aannemers die op te hoge waardes uitkomen, direct een leercurve ontstaat. Dat kan zijn educatie – medewerkers gaan op cursus luchtdicht bouwen – en/of meer aandacht in de werkvoorbereiding. “Die extra stap aan de voorkant is peanuts om in één keer tot resultaat te komen, maar in de praktijk blijkt het toch een geval van echt een keer tegen de muur aan lopen.” Het gaat om qv;10-waardes van 0,8 tot 1,0 dm³/s.m², waar de eis veelal 0,4 is.
Kanaalplaatvloeren afdichten
Nog niet iedereen is zich bewust van wáár een woning lekt. Als heel praktisch aandachtspunt noemt Rozema leidingen in de meterkast. “Wanneer je die naar de begane grondvloer toe niet goed afdicht, heb je daar bijna direct een luchtlaag naar buiten. Heb je in de verdiepingsvloer niet goed afgedicht en de doppen bij kanaalplaatvloer niet goed geplaatst, dan trek je alles aan de gevel weg.”

Zeker die leidingen naar boven toe zorgen in de praktijk voor gefronste wenkbrauwen. Die doorvoeren zitten immers in de woning. “Dat klopt, maar ze lopen met een uitgang via de kanaalplaat naar buiten. Op het moment dat je het daarover hebt, komt dat bewustzijn bij aannemers en worden die kanalen wél dichtgezet. Alleen dan is de vraag of dat met proppen isolatie gebeurt, met alle openingen van dien, of écht goed met doppen of tape.”
Meer voorkomende lekken
Als veelvoorkomende lekken noemt hij verder alle naden in het hellende dak. Dat zijn geen nieuwe vondsten, maar al sinds jaar en dag aandachtspunten. “De aansluiting van het dak op de muurplaat is echt een veelvoorkomende, net als de dakplaten onderling. En ook weer de doorvoeren van leidingen. Daarbij wordt vaak wel een manchet gebruikt, maar dat sluit dan toch niet goed aan op de dakplaten. Het vergt een klein stapje extra om dat goed aan te sluiten en daarmee een serieus luchtlek te ondervangen.”
Hijspunten in kanaalplaatvloeren zijn ook een veelgevonden luchtlek. Dat geldt zeker voor de vloerplaten op de zolderverdieping, waar deze gaten tussen de muurplaat en de knieschotten geopend blijven zitten.
Als specifiek punt in hoogbouw noemt Rozema nog elektravoorzieningen in woningscheidende wanden. “Dat zijn niet zozeer de luchtlekken naar buiten toe die zorgen voor energieverlies, maar ze lekken onderling. Die zorgen in appartementengebouwen voor geluidsproblemen.”
Luchtdichting aan de binnenkant
Waar aannemers in het algemeen ook nog mee worstelen, is de vraag: komt de luchtdichting aan de buitenkant of aan de binnenkant van de constructie? Rozema: “Dat eerste gebeurt in de praktijk regelmatig – we plakken netjes op de isolatie af – maar dat krijg je nooit volledig luchtdicht.” Luchtdichting hoort idealiter aan de binnenkant, zodat warme lucht van binnen niet via naden en kieren de constructie in kan. “Dat geeft kans op condensatie op plekken waar je het niet wilt hebben.”
Herstelkosten
Blijkt bij de finale meting dat de woning niet voldoet aan de eis voor luchtdichtheid, dan zijn de herstelkosten niet mals. Die zitten niet zozeer in materiaalkosten. “Het zijn vooral de uren die er dan inzitten om te kunnen corrigeren en de potentiële vertraging van een project. Plus het feit dat je een nieuwe meting moet laten uitvoeren. Met dat in het achterhoofd is het een hele kleine inzet aan de voorkant, tegen relatief hoge herstelkosten aan de achterkant.”
Tussentijdse meting
Naast die aandacht vooraf adviseert WTT aannemers om een tussentijdse meting uit te voeren in de ruwbouwfase. Rozema legt uit: “Die tussentijdse meting is het moment dat je nog kunt bijsturen. De combinatie van die zaken – aandacht aan de voorkant en tussentijds meten – maakt dat je aan het einde van de bouw de luchtdichtheidseis haalt.”
Dit artikel is eerder verschenen in Aannemer 5-2025.

