Een opdrachtgever moet halsbrekende toeren uithalen om fatsoenlijk op de bovenverdieping van zijn appartement te kunnen komen. Met de prefab betonnen binnentrap is zelfs na herstel nog van alles mis. De aannemer is er klaar mee.
Als een opdrachtgever besluit ook de bovenverdieping van zijn appartement in aanbouw te inspecteren, struikelt hij over de prefab betonnen binnentrap. Figuurlijk dan. De trap blijkt niet goed beloopbaar, gevaarlijk zelfs. Het is maar de vraag of de onderste treden wel voldoen aan het geldende Bouwbesluit.
De aannemer wacht het antwoord daarop niet af en past de onderste acht treden aan. Het resultaat is echter onacceptabel, vindt zowel de woningeigenaar als de ingeschakelde deskundige. Het cement, gebruikt bij de herstelwerkzaamheden, brokkelt af en de kitnaad tussen de muur en de zijkant van de trap is lelijk uitgevoerd. De onderste zes treden verschillen bovendien enorm van afmeting en lopen verre van lekker. Sterker nog – daar is het verlossende woord – de trap is in strijd met het Bouwbesluit 2012.
Omdat de aannemer weigert er verder nog iets aan te doen, zien partijen elkaar in de rechtszaal.
Afwijkende uitvoering
Volgens de opdrachtgever is de aannemer afgeweken van de bij de overeenkomst behorende tekening. Daarop staat een trap met een andere bocht en andere treden. Hij eist een nieuwe trap.
Er is geen gebrek, meent de aannemer. En als dat zo zou zijn, dan is wat zijn klant eist buiten alle proporties. De gemeente heeft de binnentrap goedgekeurd. Waar hebben we het dan nog over?
Overeenkomst leidend
De opdrachtgever heeft over twee trapgebreken geklaagd: onvoldoende veilige beloopbaarheid en een ondeugdelijke uitvoering op andere punten (cement en esthetiek). De onderlinge overeenkomst is leidend als het gaat om de veilige beloopbaarheid, aldus de arbiter. Daarin worden twee soorten eisen genoemd: de eisen uit het Bouwbesluit en de eisen van goed en deugdelijk werk. Of de gemeente deze trap heeft goedgekeurd, is niet relevant. Wél of aan de overeenkomst is voldaan.
Valgevaar
De arbiter heeft de trap bekeken en een aantal keer belopen. Hoewel de treden enkele millimeters afwijken van de Bouwbesluit-normen, is dat niet het grootste probleem. De binnentrap heeft geen vloeiende looplijn en de onderste treden hebben allemaal een andere vorm. De looplijn heeft een onverwacht scherpe bocht, waardoor de afdaling – die het meeste gevaar oplevert – niet logisch is.
Het valgevaar is des te groter doordat de onderste trede in de looplijn is afgeschuind om de deuren van het Franse balkon onderaan de trap voldoende te kunnen openen. De trap is van beton, wat de mogelijke ernst van het letsel vergroot. Een val van de onderste trede kan al grote gevolgen hebben.
Het is in de bouwwereld algemeen bekend dat het ontbreken van een vloeiende looplijn en een plaatselijk verkleinde trede verhoogde risico’s op valpartijen veroorzaakt.
Een minimale afwijking van het Bouwbesluit levert in vergelijking daarmee een verwaarloosbaar gevaar op.
De conclusie: er is niet voldaan aan de eisen van goed en deugdelijk werk, dus niet aan de overeenkomst en ook niet aan de garantienormen.
Herstel
Gelet op de beschikbare ruimte is vervanging van de trap de enige manier om een voldoende vloeiende looplijn te realiseren. Vanwege het valgevaar zeker geen disproportionele maatregel. Bij het herstel kan worden aangehaakt bij de in NEN 3509 ‘Vaste trappen in gebouwen’ genoemde voorwaarden. Voorwaarden die volgens de arbiter vallen binnen de eisen van goed en deugdelijk werk. De levertijd van de trap bepaalt de hersteltermijn: vier maanden.
De aannemer betaalt alle proceskosten à 9.313,98 euro. Omdat de woningeigenaar voor minder dan 75 procent in het ongelijk is gesteld, krijgt hij de aanvraagkosten van 370 euro terug.
Bewerkt naar het desbetreffende verslag van de Raad van Arbitrage
Geschilnummer 81.480
Tekening: Tony Tati/Pennestreek
Dit artikel verscheen in september 2020 in het blad Aannemer. Klik hier voor een (proef)abonnement.

