Onlangs stond ik met de gedeputeerde van Noord-Brabant in een woning die wij momenteel herbouwen in Rijen. Hij kwam om VDZ Projecten de Agrifoodpluim te overhandigen — een erkenning die ik met trots ontvang, maar die vooral één ding bewijst: het kán gewoon.
Geen standaard isolatie, geen greenwashing, maar kalkhennep, houtvezel, leem, bamboe en henneppleister. Materialen die ademen, vocht reguleren en decennialang CO₂ vasthouden. Ik noem dit soort woningen geen duurzame woningen. Ik noem ze CO₂-kluizen.
Die framing raakte hem. Want als je hennepscheven in een gebouwschil verwerkt, leg je CO₂ vast voor vijftig, honderd jaar. En bij sloop? Dan is dat materiaal geen afval maar een hoogwaardige grondstof die opnieuw verkocht wordt. Op en top bio-circulair.
De energieprestatie van dit object: 17 kWh/m² per jaar aan koelen én verwarmen. Pieklast 12W/m². Ter vergelijking: een gemiddelde corporatiewoning zit daar ver boven. Als je dit op wijkniveau toepast, los je netcongestie op. Auto’s worden mobiele batterijen. Overtollige energie sla je op in water.
Frontjes van zeewier
De gedeputeerde liep verwonderd door het huis. De eigenaresse vertelde trots dat ze zich had laten inspireren om zelfs haar keuken biobased te laten bouwen. Europees populierenhout, frontjes van zeewier… Dat is wat er gebeurt als je mensen meeneemt in het proces.
Noord-Brabant kijkt verder dan biobased. De provincie gaat voor zero carbon en ‘grid-active’. Dát is de schaal waarop impact gemaakt wordt. Niet gefragmenteerd, maar integraal; van boer tot bouwer, van grondstof tot gebouw.
Wij telen zelf. Wij bouwen zelf. En wij bewijzen het gewoon — woning voor woning. De vraag is niet óf het kan, de vraag is wanneer de rest volgt.

