Op het 800 jaar oude Binnenhof-complex werkt Burgy Bouwbedrijf in samenwerking met hoofdaannemer Heijmans aan de renovatie van de gebouwdelen Eerste Kamer en Raad van State. “Het is ontzettend waardevol dat wij voorafgaand aan de renovatie uitgebreid onderzoek hebben uitgevoerd”, aldus directeur van Burgy Bouwbedrijf Jeroen Wienbelt. Vanuit het Burgy-kantoor met uitzicht op het Binnenhof, spreken we over de betekenis van het project voor Burgy.
Jeroen Wienbelt kent het Binnenhof als geen ander; hij loopt er al 22 jaar rond. Nu als directeur van Burgy, maar ook al eerder, bij zijn vorige aannemer. Op jonge leeftijd begon Jeroen in de bouw bij het aannemersbedrijf van zijn oom in Den Haag. Na opleidingen bouwkunde aan de Haagse Hogeschool en aan de TU Delft kwam hij in de nieuwbouwrenovatie terecht. In 2009 trad hij in dienst bij restauratiebouwbedrijf Burgy. Met zijn passie voor restauratie groeide hij door en hij werd in 2018 op jonge leeftijd directeur.
Voor je bij Burgy kwam… wat miste je in de bouw?
Jeroen: “Ik miste de uitdaging om verder te denken, samen te werken, iets moois te maken. In de nieuwbouw en renovatie waar ik werkte, was van echte samenwerking geen sprake. Inmiddels merk ik dat de bouw daarin verandert. Het contrast met Burgy was groot; met sommige partijen werken we al 40 jaar samen.
De eerste twee jaar werkte ik in de keet bij een uitvoerder op de bouwplaats. Dat was een feest: een nauwe samenwerking, de techniek leren, bedenken hoe we de kerkvensters mooi kunnen restaureren, een duik nemen in de bouwhistorie. ‘Bouwen moet leuk zijn’, werd me verteld. Dat weergeeft precies wat we bij Burgy doen. Toen raakte het me al, en nu nog steeds, op een positieve manier.”
Negen jaar later werd je directeur. Wat waren je ideeën?
“Ik was er niet bewust mee bezig om directeur te worden, maar toen de kans zich voordeed, ben ik erover gaan nadenken. Bij Burgy werken we vakkundig en praktisch, maar er is altijd ruimte voor verbetering. Ik haal veel energie uit het aanpakken van die verbeterpunten en samen ideeën realiseren. Momenteel zijn we bezig met de enorme verduurzamingsopgave met als belangrijk onderdeel de zero-emissiebouwplaatsen.”
Wat betekent deze opdracht voor Burgy?
“Het is een eer. Het pand is nu leeg, dat is in de afgelopen 800 jaar nog niet eerder gebeurd. We hebben de kans om het in één keer goed te doen. Dat is uniek. Dankzij de uitgebreide onderzoeksfase hebben we ook echt de gelegenheid om de opgave goed in kaart te brengen. We gaan nu richting de uitwerking van een technisch ontwerp. Dit jaar gaat de bouwfase van start.”

Wat voor impact heeft zo’n groot en langdurig project als de renovatie van het Binnenhof op de organisatie?
“We zijn de restauratiepartner van hoofdaannemer Heijmans. De samenwerking brengt beide bedrijven heel veel. We krijgen bijvoorbeeld inzicht in hoe een grote pro-essionele hoofdaannemer zo’n project organiseert. En wij brengen specialismen mee die grotere aannemers niet bezitten, omdat ze vaak geen ambachtslieden meer in dienst hebben. We hebben elkaar nodig om het beste van twee werelden te combineren. Dankzij de samenwerking hebben we vijf jaar de tijd om onze organisatie verder te ontwikkelen.”
Hoe is het transport op zo’n drukke binnenstedelijke locatie geregeld?
“In de Haagse binnenstad moet alles elektrisch. Dan ga je met elkaar het gesprek aan over alternatief transport. We hebben in korte tijd een praktische zero-emissiebouwplaats voor elkaar gekregen, maar we liepen wel tegen vooroordelen aan. Het is belangrijk om met elkaar alle problemen te benoemen die er ook echt zijn en vervolgens te kijken wat er mogelijk is. Dan blijkt er meer mogelijk te zijn dan soms vooraf gedacht wordt. En als we ergens tegenaan lopen, dan bedenken we maatwerkoplossingen. Een belangrijke les: we streven vaak direct naar 100 procent duurzaamheid, maar dat is niet altijd haalbaar. Verduurzamen doe je stap voor stap. Begin bij 50 procent en groei naar 100 procent. Door met elkaar te blijven praten en plannen te maken, kun je op een gegeven moment de laatste stappen zetten naar 100 procent. Maar daar is wél ontwikkeling en ervaring voor nodig.”
Voor de Binnenhofrenovatie maakt Burgy gebruik van een bouwhub. Is dit jullie eerste ervaring met een bouwhub?
“We werken al jaren met een eigen bouwhub, ons buitenterrein in Leiden. Daar slaan we materialen op die we just-in-time naar projecten vervoeren. Dit helpt ons de binnensteden te ontlasten en de parkeerkosten laag te houden. Met de komst van zero-emissiezones wordt samenwerken met externe bouwhubs nog belangrijker voor efficiënte mobiliteit.
Als je terugkijkt, dachten we 20 jaar geleden bewuster na over mobiliteit. Carpoolen was heel normaal, ik reed regelmatig met collega’s mee. Door de jaren heen kreeg iedere vakman een eigen bus met gereedschap. Nu kijken we opnieuw naar efficiëntere en duurzamere mobiliteitsoplossingen.”
Met wie werken jullie daarin samen?
“Onze ervaringen delen we graag. We zijn hierover in gesprek met Bouwend Nederland en Zuid-Holland Bereikbaar. Op dat laatste platform kun je ook bouwhubs vinden. Zo’n hub kent de stad goed en combineert transporten. Dat is noodzakelijk en levert nog meer efficiëntie en duurzaamheid op. Samenwerken op deze hubs zorgt voor een krachtige bundeling van middelen en expertise.”
Ten slotte: naast je directeurschap ben je ook praktijkdocent aan de TU Delft, waar je lesgeeft aan studenten bouwkunde. Bovendien is Burgy een leerbedrijf dat jongeren opleidt, onder meer tot timmerman of -vrouw en metselaar. Waarom deze focus op de nieuwe generatie?
“Wij hebben relatief weinig last van het tekort aan vakmensen, want wij leiden leerlingen zelf op. Als je continu twintig leerlingen in je bedrijf aan het werk hebt, dan kun je ieder jaar een aantal ervan een contract aanbieden. Wij doen dit vanuit passie voor het vak, hoewel het eigenlijk standaard zou moeten zijn – zoals vroeger.
Als je als bedrijf opleidingen aanbiedt, dan krijg je ontwikkeling, dan is het voor mensen leuk om bij je te blijven werken. Ik ben daar zelf een voorbeeld van. En: voor jonge vaklieden is het fantastisch als je aan de Plenaire Zaal van de Eerste Kamer mag werken en zo het vak leert.”

