Het kabinet schrapt een deel van (nieuwe) zzp-wetgeving die al in de Tweede Kamer lag. Het gaat om het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie zet hiermee in op meer rust en duidelijkheid voor zelfstandigen en hun opdrachtgevers. Tegelijk wordt de weg vrijgemaakt voor de Zelfstandigenwet, die de komende maanden verder wordt uitgewerkt.
Zelfstandigenwet moet duidelijkheid bieden
Het kabinet verwijdert het deel van Vbar dat moest verduidelijken wanneer iemand als zzp’er werkt of als werknemer wordt gezien. De Zelfstandigenwet, een afspraak uit het nieuwe Coalitieakkoord, moet een duidelijke juridische positie voor zzp’ers creëren. Het kabinet gaat de komende tijd versneld aan de slag om deze wet te realiseren, zodat zowel zelfstandigen als opdrachtgevers meer zekerheid krijgen over hun rechten en plichten.
“Voor een deel van het wetsvoorstel Vbar dat in de Kamer lag, ontbrak het aan draagvlak. Dat zorgde voor onrust in de markt. Daarom haal ik dat deel van het wetsvoorstel van tafel. Hiermee is de weg vrij voor de Zelfstandigenwet.”
Minister Thierry Aartsen
Sterkere rechtspositie voor laagbetaalde zzp’ers
Een ander belangrijk punt is de bescherming van zzp’ers met een uurtarief tot 38 euro (peildatum 1 januari 2026). Voor hen geldt dat opdrachtgevers moeten aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan is sprake van schijnzelfstandigheid en heeft de zzp’er recht op de bescherming die een werknemer normaal gesproken krijgt, inclusief sociale en arbeidsrechtelijke voordelen.
Met deze maatregelen wil het kabinet een evenwicht vinden tussen flexibiliteit voor opdrachtgevers en rechtsbescherming voor zzp’ers, en tegelijkertijd onrust in de arbeidsmarkt verminderen.
In Nederland werken bijna 1,2 miljoen mensen als zzp’er. Handhaving op schijnzelfstandigheid blijft onverminderd gelden. Als met een zzp’er wordt gewerkt en toch blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst moet de opdrachtgever alsnog loonheffingen afdragen. Daarnaast zijn er ook risico’s voor het arbeids- en pensioenrecht.

